Artsen winnen procedure tegen curatoren Ruwaard van Putten Ziekenhuis.

De rechtbank Rotterdam heeft op 14 november 2018 vonnis gewezen in een zaak tussen de curatoren van het failliet verklaarde Ruwaard van Putten Ziekenhuis en een groot aantal zelfstandige artsen. Het ging in deze procedure om de verdeling van gelden die het ziekenhuis en de artsen per faillissementsdatum aan nog niet gedeclareerd onderhanden werk te vorderen hadden van de verschillende zorgverzekeraars. Deze vorderingen zijn door de curatoren geïncasseerd bij de zorgverzekeraars. De gelden zijn uitbetaald op een derdenrekening in afwachting van de verdere verdeling. De rechtbank heeft hierover een aantal belangrijke beslissingen genomen.

  1. De rechtbank heeft de artsen gevolgd in hun standpunt dat het honorariumdeel van dat onderhanden werk als zelfstandige vordering aan de artsen toekomt en dus niet in de failliete boedel van het ziekenhuis valt. 
  2. De curatoren mogen op dat honorarium deel dan ook geen bedragen in mindering brengen die het ziekenhuis nog van de artsen te goed meent te hebben. Verrekening is in dat geval volgens de rechtbank niet mogelijk, omdat de daarvoor vereiste wederkerigheid ontbreekt. De artsen hebben immers een vordering op de zorgverzekeraars en daar staat geen vordering van de zorgverzekeraars op de artsen tegenover.
  3. De curatoren mogen uitsluitend de kosten van hun incassowerkzaamheden op het honorariumdeel in mindering brengen. Daarover zijn tussen partijen afspraken gemaakt, waaraan de curatoren zijn gebonden.

De artsen hebben op hun beurt echter ook aanzienlijke vorderingen op het ziekenhuis, in verband met het feit dat het ziekenhuis voorafgaand aan het faillissement wel voorschotbetalingen van de zorgverzekeraars hebben ontvangen, maar het honorariumdeel daarvan niet hebben doorbetaald aan de artsen. Daarnaast hebben de artsen vorderingen op het ziekenhuis in verband met de schade die zijn hebben geleden in de vorm van verlies aan goodwill. Deze vorderingen zijn ontstaan doordat de exploitatie van het ziekenhuis in de vorm van een zogeheten “pre-pack” direct na het uitspreken van het faillissement is overgedragen aan een andere partij die niet bereid was om de praktijken van de artsen over te nemen. De artsen konden als gevolg daarvan hun praktijken in het ziekenhuis niet meer voortzetten. Deze vorderingen mogen de artsen volgens de rechtbank wel verrekenen met de eventuele daartegenover staande vorderingen van het ziekenhuis op de artsen. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat de vorderingen van de artsen beduidend hoger zijn dan de eventuele daartegenover staande vorderingen van het ziekenhuis en dat de artsen na verrekening nog een substantiële vordering op het ziekenhuis overhouden.

Voor de artsen is dit een zeer gunstige uitspraak die een belangrijk uitgangspunt vormt voor de verdere verdeling van de gelden. Hiermee kunnen de artsen in ieder geval nog een deel van hun honorarium betaald krijgen, waarmee de aanzienlijke schade die zij door het faillissement sowieso al hebben geleden, kan worden verminderd.

Het persbericht van de rechtbank en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam kunt u inzien via onderstaande link.

https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Rotterdam/Nieuws/Paginas/Rechtbank-Rotterdam-doet-uitspraak-in-conflict-failliet-Ruwaard-van-Puttenziekenhuis.aspx 

Voor eventuele vragen over dit onderwerp kunt u zich wenden tot Seerp Gratama die deze zaak heeft behandeld.

19 november 2018