Benut bestaande wettelijke structuren beter voor bescherming van ondernemingen

Het Financieele Dagblad, 27-05-2017

Joris Struycken

De afgelopen twintig jaar zijn beschermingsconstructies uit de mode geraakt. Toen het fenomeen aandeelhouderswaarde vigerend was en Gerrit Zalm minister van Financiën was, werd de destijds gebruikelijke certificering van aandelen zo goed als afgeschaft. Niet veel later formuleerde de commissie onder leiding van Morris Tabaksblat enkele beginselen die houders van preferente aandelen beknotten en certificering verder in de ban deed.

Dat was de tijdgeest. Geen haan kraaide ernaar en iedereen papegaaide mee. Ook handhaving van het structuurregime voor de nationale grote ondernemingen stond onder druk. In het structuurregime heeft de raad van commissarissen grotere bevoegdheden ten koste van de aandeelhouders. Daardoor gaat van het structuurregime enige bescherming uit.

Thans staan de grote Nederlandse ondernemingen er betrekkelijk kwetsbaar bij voor buitenlandse overnames. Het verloren gaan van multinationals voor Nederland is schadelijk voor het land. Grote ondernemingen zorgen voor een hoogwaardige zakelijke infrastructuur. Het betekent dat Nederlandse accountants, advocaten, bankiers, rechters, toezichthouders, IT’ers en andere adviseurs zich moeten kunnen meten met de allerbeste. Niet alleen genereert het hebben van die grote ondernemingen werkgelegenheid (soms helemaal niet zoveel), maar ook en vooral legt het een hoge standaard op aan vele vakdisciplines.

Onder leiding van voormalig Shell-voorman Jeroen van der Veer is nu een lobby gaande voor een wetswijziging om Nederland te behoeden voor een ‘grote uitverkoop’. Van der Veer is overigens een weinig overtuigend pleitbezorger voor het Rijnlandse model. Hij heeft Koninklijke Olie NV ingeruild voor Royal Dutch Shell plc met Engelse beloningsnormen, maar dat terzijde. Het voorstel van de ‘old boys’ komt erop neer dat er gedurende een jaar geen aandeelhoudersvergaderingen mogen worden gehouden tot vervanging van de directie. In dat jaar kan de directie zich bezinnen op de strategie en een mogelijke alternatieve transactie, zo is de gedachte.

Het is echter maar de vraag of het bestuur in dat jaar een absoluut mandaat heeft om rigoureuze stappen te nemen. Bovendien is het twijfelachtig of zo’n alternatieve transactie wel in het belang van ondernemend Nederland is. De lobby lijkt ook te vergeten dat er in 2007 en in 2012, na uitgebreide consultatie van marktpartijen, juist regels zijn ingevoerd die een geïnteresseerde bieder ertoe dwingen om haast te maken met het uitbrengen van zijn eventueel (vijandige) bod. Die regels waren bedoeld om de onderneming niet te lang speelbal te laten zijn van de kapitaalmarkt.

Geen markt is zo internationaal als de kapitaalmarkt, zodat een kijkje over de grenzen voor de hand ligt.

Het Verenigd Koninkrijk huldigt aandeelhouderswaarde en mag na de brexit geen gidsland voor ons zijn. België heeft de grote uitverkoop van nationale ondernemingen al achter de rug, zodat dat land goed laat zien hoe het vooral niet moet. Frankrijk en Duitsland zijn grote industrielanden en voeren een bewuste en door hun regeringen consistent uitgevoerde industriepolitiek. Die moet Nederland nog ontvouwen. ASML-topman Peter Wennink heeft daarvoor recent nog gepleit. Omdat ons land zelf weinig maakindustrie heeft en het nationale belang bij multinationals lang niet door iedereen wordt onderkend, is de ontwikkeling van zo’n nationalistisch beleid weinig realistisch.

Als beursgenoteerde ondernemingen zich willen beschermen, moeten zij dat in de eerste plaats zelf doen. Als daarvoor in Den Haag om hulp wordt gezocht, komen al snel vragen voor de regering op welke ondernemingen zij zou willen beschermen, waarom en waartegen. Beantwoording daarvan zal nog geruime tijd vergen en niet snel bevredigend zijn.

Er zijn ondernemingen zonder beschermingsconstructies, waarbij aandeelhouders niet zullen meewerken aan invoering daarvan. Als de regering gehoor wil geven aan de roep om maatregelen op betrekkelijk korte termijn (en daarvoor zijn goede redenen) kan zij het beste bestaande wettelijke mechanismen uitbreiden om de grote uitverkoop tegen te houden. De werking van het structuurregime zou bijvoorbeeld kunnen worden uitgebreid, al dan niet tijdelijk.

Het structuurregime bevat nu diverse uitzonderingen voor multinationals zodat het is verworden tot een regime voor grotere mkb-ondernemingen. In die uitzonderingen kan worden gesnoeid. Ook zou de positie van een structuurvennootschap binnen een internationaal concern kunnen worden versterkt, teneinde na een overname waarborgen voor de Nederlandse stakeholders tot stand te brengen. Ook fiscale faciliteiten en rulings zouden mogelijk kunnen vervallen bij een overname.

J.G.A. Struycken is advocaat bij Certa Legal Advocaten te Amsterdam.