Reistijd arbeidstijd voor werknemers zonder vaste werkplek

Reistijd arbeidstijd voor werknemers zonder vaste werkplek

Het Europese Hof heeft op 10 september 2015 bepaald dat de tijd die werknemers zonder vaste werkplek dagelijks kwijt zijn aan reizen tussen hun woonplaats en de locatie van hun eerste en laatste klant, geen “rusttijd” maar “arbeidstijd” is.  Er is veel commotie ontstaan naar aanleiding van dit arrest. Volgens FNV-bestuurder Patijn heeft deze uitspraak zelfs “grote gevolgen voor werknemers in Nederland”. Maar is dit arrest daadwerkelijk zo baanbrekend en vernieuwend? Wij vinden van niet.

Arrest Europese Hof

De reistijd tussen de woonplaats en de locatie van de eerste en laatste klant is voor werknemers, zonder vaste werkplek, volgens het Europese Hof geen rusttijd maar arbeidstijd. Van belang hierbij was het feit dat de werknemers geen vaste werkplek meer hadden omdat de Spaanse werkgever zijn regionale kantoren enkele jaren geleden had gesloten.

In de oude situatie begon de telling van de arbeidstijd op het moment dat de werknemers arriveerden bij het regionale kantoor. In de nieuwe situatie, na sluiting van de regionale kantoren, ontvingen de werknemers ’s morgens thuis de instructie van hun werkgever welke klanten zij die dag moesten bezoeken. De werkgever begon nu met de telling van de arbeidstijd vanaf het moment dat de werknemer bij de eerste klant arriveerde. Deze reistijd kon oplopen tot 3 uur.

Volgens het Europese Hof was het de keuze van de werkgever om de regionale kantoren te sluiten en daarbij zijn de werknemers tijdens de reistijd niet in staat om deze tijd vrij in te vullen en hun eigen interesses na te leven. De reistijd vindt dus plaats onder gezag van de werkgever. Daarom wordt deze reistijd aangemerkt als arbeidstijd in plaats van rusttijd.

De Nederlandse Arbeidstijdenwet

Ook vóór deze uitspraak van het Europese Hof zagen wij al dat reistijd als werktijd werd aangemerkt. Dit was bijvoorbeeld al het geval wanneer de werkgever bepaalde op welke manier werd gereisd maar ook op het gebied van de werkgeversaansprakelijkheid en het Nieuwe Werken.

In Nederland kennen we de Arbeidstijdenwet. Volgens de Arbeidstijdenwet is woon-werkverkeer “rusttijd” en is werk-werkverkeer “arbeidstijd”. “Reistijd” is een grijsgebied in deze wet omdat een definitie ontbreekt.

Als hoofdregel telt de reistijd die een werknemer kwijt is aan woon-werkverkeer niet als arbeidstijd. Een werknemer kiest er vrijwillig voor om voor een werkgever te gaan werken, waardoor de reistijd naar het werk voor eigen rekening komt. Dit is anders als de werknemer op instructie van de werkgever verder moet reizen dan gebruikelijk, bijvoorbeeld naar een opdracht of een klant. De Inspectie SZW beoordeeld dan ook of de werkgever zich daadwerkelijk bemoeit met de wijze waarop de werknemers naar een opdracht of een klant gaan (zoals de bedrijfsauto waarmee gereden moet worden, of collega’s moeten worden opgehaald, of materialen mee worden genomen en dergelijke), de reistijd van een werknemer moet dus onder het gezag van de werkgever vallen om als “arbeidstijd” te kwalificeren. In deze lijn is ook geoordeeld door de Nederlandse rechters, zoals in de “Mandemakers-zaak” waarbij ook al aan de orde was of reistijd van werknemers die vanuit hun woonplaats naar klanten reizen tot de arbeidstijd mag worden gerekend.

Het Nieuwe Werken

De uitspraak van het Europese Hof is verder ook in lijn met jurisprudentie die gaat over de situatie dat een werknemer niet meer op traditionele wijze werkt binnen duidelijke werktijden. Dit volgt onder meer uit het feit dat steeds meer bedrijven het Nieuwe Werken in hebben gevoerd en werknemers niet altijd meer tijds- en plaatsgebonden hoeven te werken. Op het gebied van werkgeversaansprakelijkheid en het Nieuwe Werken was dit bijvoorbeeld al te zien. In maart 2011 heeft Jolanda de Groot samen met enkele medewerkers van de Universiteit van Amsterdam een onderzoek afgerond voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de arbeidsrechtelijke knelpunten van Het Nieuwe Werken (HNW). Daar kwam dit ook al aan de orde. Op 10 oktober 2011 heeft de staatssecretaris het rapport met aanbevelingen aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en is het rapport beschikbaar op de website van het Ministerie.

Gevolgen voor de werkgeversaansprakelijkheid

Zodra woon-werk verkeer onder “werktijd” valt, dit gevolgen heeft voor werkgeversaansprakelijkheid. De werkgever is namelijk niet aansprakelijk op grond van 7:658 BW voor schade die is ontstaan tijdens woon-werkverkeer van de werknemer. Indien de situatie erg dicht tegen de uitoefening van de werkzaamheden aan ligt, zou de werkgever aansprakelijk kunnen zijn voor ontstane schade op grond van artikel 7:611 BW.

Wij wijzen in dat kader op een arrest van het Hof Den Haag van 26 januari 2007 waarin de werkgever aansprakelijk werd geacht op grond van artikel 7:611 BW voor de schade die de werknemer leed door een ongeval dat hem overkwam terwijl hij op weg naar huis was. Het Hof oordeelde dat geen sprake was van “gewoon” woon-werkverkeer omdat de werknemer een deel van zijn werktijd thuis werkte en ook s’avonds, van huis op pad ging om op diverse plaatsen zakelijke besprekingen te voeren en klanten te bezoeken. Daarbij speelde mee dat de werknemer als verzekeringsadviseur hoofdzakelijk vanuit huis werkte en daarnaast van huis uit op pad ging om op diverse plaatsen zakelijke besprekingen te voeren en klanten te bezoeken. Op het kantoor van zijn werkgever kwam hij slechts enkele malen per jaar. De Hoge Raad overwoog op 30 november 2007 dat de werkneemster die bij een klant was gedetacheerd en een ongeval kreeg op weg naar huis na een teambespreking in de avond de werkgever niet kon aanspreken omdat hier sprake was van gewoon woon-werkverkeer. Volgens de Hoge Raad was deze zaak anders dan de zaak van het Hof Den Haag van 26 januari 2007 omdat de werknemer niet was aangewezen om het vervoer te verrichten op de wijze, en met de bestemming als, door de werkgever gekozen. Het Hof Den Bosch oordeelde in 2008 dat geen aansprakelijkheid ex artikel 7:658 of 7:611 BW kon worden aangenomen in een situatie waarin een werknemer tussen twee zakelijke afspraken in met zijn echtgenote (privé) boodschappen ging doen en vervolgens een ongeval kreeg. Volgens het hof begaf de werknemer zich tussen de afspraken door expliciet in de privé sfeer.

Kortom

Door het arrest van het Europese Hof staat nu vast dat de reistijd tussen de woonplaats en de locatie van de eerste en laatste klant voor werknemers, zonder vaste werkplek, geen rusttijd maar arbeidstijd is. Dit betekent overigens ook dat een werkgever er rekening mee moet houden dat het maximaal aantal werkuren niet wordt overschreden. Ook dient u er rekening mee te houden dat zodra woon-werk verkeer onder “werktijd” valt, uw werkgeversaansprakelijkheid verder kan reiken dan u dacht.

Let er wel op dat deze uitspraak enkel gaat over werknemers zonder vaste werkplek, en dus niet betekent dat woon-werkverkeer voor werknemers met een vaste werkplek nu wordt aangemerkt als arbeidstijd. Dit wordt vooralsnog als reistijd aangemerkt.

Mocht u nog vragen hebben over arbeidstijd, rusttijd en reistijd, bel gerust eens voor een vrijblijvend gesprek met Nikki Leeuwrik of Jolanda de Groot, advocaten arbeidsrecht bij Certa Legal, 020 521 66 99 of stuur een e-mail naar leeuwrik@certalegal.nl of degroot@certalegal.nl